donderdag 23 mei 2013

Gemaskerd bal

Als hij de ruimte inkwam, merkte ze het altijd direct. Het was of ze zijn aanwezigheid voelde nog voor ze hem zag. Zijn aantocht was voldoende. Onopvallend zochten haar ogen de ruimte af en ze had altijd gelijk. Ze deed of ze hem niet zag tot hij naar haar toekwam. Hij kwam altijd naar haar toe. Dan kon ze niet anders dan hem aankijken. Zijn ogen zogen die van haar naar zich toe. Als hij haar tijdens zo’n gesprek even aanraakte, ging er een schok door haar heen. Het duurde altijd te kort. Het was moeilijk de balans te vinden. Ze wilde verdrinken in zijn aandacht, maar het kon niet. Hij wist dat ook en het was of ze een stilzwijgend verbond hadden gesloten alleen met hun ogen te spreken. De woorden die ze spraken, kregen nooit de kans écht ergens over te gaan. Toch wist ze dat hij haar begreep en zij hem.

Ze voelde een misplaatste jaloezie als hij zijn aandacht aan iemand anders schonk en ze hield dat altijd nauwlettend in de gaten. Soms zonderde ze zich af. Buiten hapte ze naar frisse lucht en ademde diep in voor ze de ruimte weer inging om zich te vermannen. Ze haastte zich. Ze vervloekte zichzelf erom.

Als hij tijdelijk de ruimte verliet, bleef ze naar de deur kijken tot ze hem weer zag verschijnen. Wanneer het tijd was om afscheid te nemen, was dat het enige moment dat ze hem niet aan kon kijken. Ze bleef onrustig zo lang hij in de buurt was en nog dagen daarna voelde ze de echo. Dan was het of ze een enorme kater had. Hij was weg en contact zoeken kon niet. Ze was chagrijnig zonder reden, ogenschijnlijk.  

zaterdag 11 mei 2013

Innerlijke spoed

Ik zal je rondleiden
door de nacht
en door mijn hoofd
terwijl de stilte
ons omringt
en
tot de ochtend sluit

Ik zal zachtjes
zwarte wolken zingen
en wijzen
naar de takken
op de muur
alles
tot de ochtend slaat

Ik zal ze duwen;
de wijzers van de klok
dit hoeft niet lang te duren
maar het moet
het is de innerlijke spoed
die dwingend groet


zondag 5 mei 2013

Vloeken van verdriet

De wolken. Ze kleuren mijn gemoed. Ze krassen het licht weg van de zon die fel is en krachtig en straalt. Stralend, de zon. Ze is net genoeg. Ik heb haar nodig nu. Ik klamp me aan haar vast, de schijn.

Boos bots ik op ze in. De plukken wit en grijs omringd door blauw dat ik niet zie. Het is jammer dat het geen pijn doet. Ik wil mijn vuisten voelen. Ik wil met mijn handen vechten tot ze bloeden, maar ze zijn te zacht, de wolken. Ze doen me niets. Ik voel ze niet, maar ze kleuren mijn gemoed. Ze maken me boos, en moedeloos. Mijn handen zweven, want ze zijn er niet.

Wat kan ik nog doen nu mijn macht verdwenen is, verloren gaat? Waartoe moet ik me wenden als ik stik in het grijs? Ze wijken niet, de wolken. De verdomde wolken wijken niet. Ik vloek van verdriet. Ze zijn er, als ik er niet om vraag. Ze bepalen mijn dag als ik er niet ben. Ik voel mezelf, maar lopen is zo zwaar en van denken ga ik dood. Herinnering de hel.

Zo erg mis ik jou.
Eerlijk is het niet.
Verdriet.

dinsdag 16 april 2013

Stinkstad

Hijgend hardlopen in de uitlaatgassen
En het grijze stinkende steen
Ontwijken van vuilnis
En graffiti
En gooiende woorden
Op straat

Vallend komen ze neer
Op de kauwgumplekken
En de van urine doortrokken
Stoeptegels
Tenminste:
Als ze jou niet raken

Slalommend door de kogels
Ademhalen
Op het ritme van je voeten
Doorgaan
Tot je stikt

dinsdag 9 april 2013

Verslavingsvoordracht

Het was onmiddellijk te zien als je haar zag en keek. Zodra ze de hoek om kwam, de auto uitstapte, de deur (om het even welke) opende of de drempel over stapte. Ze had weer gebruikt. Of niet. Eén van beide. Neutraal bestond ze niet. Ze was niet gewoon 'zij'. Ze was de gebruiker óf degene die probeerde te stoppen. Ze was onder invloed óf niet. In beide gevallen verslaafd, al werd ze woedend als je dat woord in je mond nam. Ontkenning, afzwakking, goedpraterij, nee zelfs: keuze. Ze geloofde het. Ze hield zichzelf niet voor de gek, want ze meende het. Jou kon ze dus al helemáál niet voor de gek houden. Hoe je dat durfde te beweren. Hoe je zelf zeker perfect was.

De hele wereld om haar heen was net zo verslaafd of dom of blind of doof. Niemand keek, dat zou maar als bemoeizucht kunnen worden opgevat. Niemand keek, stel je voor: de pijn. Niemand keek, want dat zou een spiegel zijn. Als je haar zag en keek, dan was het echter onmiddellijk te zien. Het had meteen invloed op je gemoed. Haar stemming. Niet te missen. Zij was zo overweldigend aanwezig in welke ruimte ze ook was, al was het buiten in het weidse land, al zweeg ze je dood, dat ze je benauwde. Als ze toenadering zocht, dan sprong je weg. Je kon geen deel uitmaken van haar verbond. Haar kinderlijke domheid die volwassen probeerde te doen. Jij was de afstand. Je zou niet gearmd met haar lopen. Je zou te allen tijde naast haar lopen, staan, maar een arm was te veel. Dan was het of ze toestemming vroeg en jij die gaf.

Ze vroeg nooit wat je vond in woorden. Je zou haar met de grond gelijk maken.

Haar verslaving was altijd aanweziger dan jij, wie je ook was. Altijd kwam zij, en dan pas jij. Je zag haar, van dichtbij, maar de afstand was immens. Zodra je keek, of als ze sprak, dan bevestigde ze dat. Ze had gebruikt, of niet. Je walgde van de gewoonte die ze uitstraalde. Van het zelfbewustzijn dat ze dacht te hebben. Ze verbloemde wie ze was. Ze deed zich voor. Je kotste van de schijn.

woensdag 13 maart 2013

Grensbereik

Keihard ertegenin moest je gaan
Keihard meedoen
Maar dan andersom
De weerstand bieden
De boksbal zijn
Die terugsloeg
Schreeuwen moest je
Uit alle macht
Met al je longen
Je moest hem slaand
Tot stilte manen
Schoppen bovendien
Om te laten zien
Dat het je interesseerde
Meer dan een malle moer
Om te horen wat hij zei
Wat hij riep, nee schreeuwde
Door alles heen
Help me dan
Help me
Help

Negeren was des doods
En zachtjes praten ook
Begrijpend knikken
Had geen zin
De tegenstander moest je zijn
De grensbewaker
Met het harde schot
Hij daagde je uit
En wachtte al zo lang

dinsdag 26 februari 2013

De dingen; de vondsten

“Wat denk je nu?”

‘Niks.’

“Wel.”

Het was even stil.

‘Ik dacht eigenlijk dat aanraking van het gezicht één van de liefste aanrakingen is.’

Terwijl hij dat zei, streelde ze met een paar vingers door zijn baard. Ze hield er even mee op toen ze de woorden op zich in liet werken. Ze ging weer verder toen ze besloot dat ze het ermee eens was. Haar hoofd lag op zijn borst. “Ja, je hebt gelijk.” Ze was blij dat hij dat vond, het gaf iets van zijn aard weer waar ze zo van hield. Hij was opmerkzaam, gevoelig, maar vooral rationeel. Hij was het die zulke dingen bedacht en ze naar het bewustzijn bracht door ze onder woorden te brengen. Zíj moest hem de dingen – de vondsten -  laten uitspreken, want anders deed hij dat niet. Ze zag aan hem wanneer het kon. Ze zag aan hem wanneer hij zou beginnen met praten als ze ernaar vroeg. En wanneer niet.  

Wanneer zíj begon met praten – over échte dingen – dan had hij dat al van mijlenver aan zien komen. Ze had een lange aanlooptijd waarin alles er al op wees dat ze zou gaan storten. Eruit, haar hart. Hij zou luisteren en bevestigen hoe erg alles was – want dat was het, altijd. Daarna zou hij zeggen dat ze sterk was en dat ze dat morgen weer zou voelen. Dan lachte ze door haar tranen heen en voelde ze hoe sterk hij was.

‘Waar denk je aan?’ vroeg hij na een tijdje.

 “Aan perfectie.”